Mijn hoofd was bijna vergeten. Het adem inhouden, telkens als de hare stopte. Het opkijken dan, het tellen, het dichterbij gaan. Het opgelucht voelen van nog een zuchtje leven. Tot er geen ademruimte meer overbleef.
Mijn hart herkende het zonder slag of stoot. Het adem inhouden, telkens als de zijne stopte. Het opkijken, het dichterbij gaan, het voelen. Het vechten maar toch inslapen. Het wakker geschrokken zien dat er bijna geen ademruimte meer overblijft. Het dichtbij blijven dan. Het vasthouden. Het loslaten.
We waren samen in een kamer. De dood en ik. Mijn hoofd dacht angst. Mijn hoofd dacht vluchten. Mijn hart voelde warmte. Voor die mens. Voor de mens. Die – in de zucht die leven heet – doodgewoon zijn eigen kleine held wil zijn. Zijn leven vorm en kleur en diepte geeft.
Mijn hart wil nooit vergeten.

Schrijven helpt daarbij.

 

Bij het afscheid van mijn vader. Precies een jaar na het sterven van mijn moeder.

Share This