Hoor mij. Luidop pratend in mezelf. Dan spreek ik me moed in. Of vervloek mezelf. In woorden die mompelend en slechts in mijn eigen bijzijn het daglicht durven zien. Achter mijn hoog opgetrokken muren van zelfcensuur. Soms herpak ik me, berisp mezelf wat liever te zijn. Voor mezelf.
Ook tegen mijn kater praat ik. Meestal is hij stil en oud aanwezig maar soms loopt hij in de weg. Dan verandert mijn toon van medeleven in ergernis. Dat het me spijt, zeg ik hem nadien. Een aai en hij is het weer vergeten, zoals hij ook niet meer weet dat hij al drie keer brokjes kreeg vandaag.
Tegen muren en treden, tegen hoeken en tafelpoten praat ik niet. Behalve als ik me eraan stoot. Ik durf wel bitsig spreken tegen handtassen en sleutels, die elkaar versterken in onvindbaarheid. Tegen een mes dat in mijn vinger snijdt. Tegen papieren die zich niet laten klasseren. Tegen de slaap die maar niet komt.
Maar tegen planten praat ik niet – al zou ik dat beter doen, hoe triestig staan ze daar – en zeker niet tegen bloempotten. Hoe troosteloos is dat. Een bedrijf brengt bloempotten op de markt waartegen eenzame mensen kunnen praten. Slimme bloempotten, dat wel. Die alarm slaan als ze op een ochtend geen daglicht zien. Die vragen om water en de eenzame ook uitnodigen voor een glas. Luisterende bloempotten, aan wie je kan vertellen dat de verwarming kapot is en je hart op. Bloempotten die dan antwoorden, die klusjesmannen sturen. Om dat oude leven op te lappen. Bloempotten die horen wat je zegt, luidop vloekend op het leven, in jezelf. En die daarvan het hunne denken. Hoor hem. Hoor haar.

Share This