‘De bel!’ roept mijn oudste dochter naar boven. Het is half elf. Op elke andere zaterdagochtend fietsten we nu al met onze haren in de wind en ochtendrood op onze wangen heen en weer tussen muziek en dans. Maar vandaag is anders. Vandaag is traag. Al staat mijn venster op de wereld al enkele uren wagenwijd open – schrijvend aan de stilte van de keukentafel – de deur hou ik liever nog even dicht voor buitenstaanders.
De bel dus. Mijn hart springt op en jaagt een haastige paniek door mijn hoofd. Ik heb nog zo weinig om het lijf, net als de anderen. Alleen de oudste dochter. Die wrong zich al vroeg in de warme ochtend in haar slanke jeans.
Dat zij wel zal opendoen, zegt ze. Ik blijf staan op de overloop. Een woord dat eigenlijk alleen thuishoort in de grote open traphal van mijn ouderlijk huis. Ik kijk mee maar laat me niet zien.
Dat haar ouders nog slapen, hoor ik haar zeggen. Ik denk aan mijn reputatie die nu helemaal verloren is. Alleen weet ik nog niet bij wie.
Glimlachend komt ze boven. ‘Zo,’ zegt ze, ‘opgelost’, en ze geeft me een boekje.
‘Ontwaakt!’ staat bovenaan. Als een dringende oproep aan dit adres. Alsof ze het voorspeld hadden. ‘De weg naar geluk’ lees ik onderaan. Ik weet hoe laat het is. En dat ik hem gemist heb, de afslag. Maar dat mijn weg niet daar ligt. En dat ze dat heerlijk open heeft gedaan, de deur en de boodschap dat haar ouders nog sliepen. De verdorvenen.

Share This