Als copywriter schakel ik soms mijn hulplijnen in: Taaladvies en VRT Taal bijvoorbeeld. En heel spaarzaam bel ik de Taaltelefoon. Op momenten van zinsverduistering, als ik de weg in mijn woorden niet meer weet.
Voor het persbericht van een klant zat ik in de knoop met de woordcombinatie ‘her in te lijsten’. De mevrouw aan de andere kant van de Taaltelefoon zocht en vond de regels. En tussen die regels door hebben we samen beslist: ‘her’ zou ‘opnieuw’ worden. Punt.
Soms kan schrijven heerlijk simpel zijn.

Toen ik een paar jaar geleden ook al eens struikelde over mijn woorden, schreef ik deze tekst. Dankbaar en vol verwondering om de raad die me zomaar als vanzelfsprekend ingefluisterd werd.

Bizar. Hoe doodgewone woorden me soms in verwarring achterlaten.
Onlangs zette ik als voorlopige titel boven een tekst: hij floot. Het ging over een vogel. En toch ook niet. Mijn meest tot de verbeelding sprekende zinspeling ooit was het niet. Dat geef ik toe. Maar toen ik de titel herlas, leed ik aan een totale woordsverbijstering. Of noem het zinsverduistering.
Floot. Bestond dat wel?
Ik belde nog net niet naar de Taaltelefoon. Daar kreeg ik nochtans vorig jaar een vriendelijke man aan de lijn die alle tijd voor me had en me graag vertelde over beperkingen en handicaps en hoe mensen in verschillende tijden over dat woord dachten. Fascinerend vond ik hem, die man aan de andere kant. In een schemerig kantoor. Zo stelde ik me hem voor. Met zicht op een stad in al haar mensen en hun woorden. Extatisch opverend bij een langverwacht telefoontje van iemand die struikelt over een lettergreep.  Of over de zin van een woord.
En nu zat ik daar naar floot te staren. Het klopte wel. Maar het klopte niet. Klonk te bloot en nog niet af en eigenlijk vooral helemaal fout. Dit soort titels geef ik niet aan de dingen. Uiteindelijk werd het (niet) onbewogen. Het ging nog steeds over een vogel. Maar eigenlijk vooral over mezelf.

Share This